Het verval van het Openbaar Ministerie

Posted on April 7, 2026   15 minute read ∼ Tagged with  :  ∼ Filed in  : recht • bestuur

: VRACHT:

  1. : TEN GELEIDDE:
  2. : ONTWRICHTING:
  3. : SCHRIJNEND &: WRANG:
  4. : ONTLUISTEREND:
  5. : ONTHECHTING:
  6. : ONTREGELING:
  7. : VERLIES:
  8. : VERVAL:




: TEN GELEIDDE:


Dit blog is niet geschreven vanuit abstractie, theorie, of afstandelijke beschouwing. Het is geschreven op basis van concrete ervaringen, vastgelegde correspondentie, feitelijke gebeurtenissen, en de indruk die ontstaat wanneer een burger over langere tijd te maken krijgt met een hele keten van justitiële en bestuurlijke partijen.

Het gaat dan niet alleen om het Openbaar Ministerie in enge zin, maar om een breder netwerk van betrokkenen:

  • arrestatieteam,
  • officier van justitie,
  • politie,
  • bewakingspolitie in het huis van bewaring,
  • de opslag van in beslag genomen goederen,
  • reclassering,
  • het OM zelf,
  • en zelfs de piket-raadsman die juist geacht wordt rechtsbescherming te helpen waarborgen.

Precies daarin schuilt de ernst: niet één los incident, maar een patroon dat zich over meerdere schakels tegelijk uitstrekt.

Het verval van een instituut begint zelden met één grote misstap. Meestal begint het kleiner: een vraag die blijft liggen, een brief zonder dragende uitleg, een rol die niet helder wordt afgebakend, een procedure die wel doorloopt maar niet werkelijk wordt verhelderd.

Voor een instituut is dat al ernstig. Voor een burger is het belastend. Want onduidelijkheid in het strafrecht is nooit neutraal. Waar het systeem nog speelruimte ervaart, ervaart de burger risico. Wie niet weet of hij wordt benaderd als getuige, verdachte, informant of administratief object, kan zijn positie niet beschermen. Wie geen kenbare grondslag krijgt aangereikt, moet zich verweren tegen een mistbank.

En een mistbank is in het recht geen detail, maar een machtsmiddel.

: ONTWRICHTING:

Wat deze gang van zaken nog ontwrichtender maakt, is dat de keten die elkaar in een rechtsstaat zou moeten corrigeren, in de aangeleverde stukken juist vaak hetzelfde beeld oproept: functietaal zonder gezicht, handelen zonder dragende motivering, en een herhaald tekort aan herkenbare verantwoordelijkheid. De burger wordt dan wel individueel aangesproken, maar weet zelf nauwelijks nog wie beslist, vanuit welke bevoegdheid, op welke grondslag, en met welk toetsbaar mandaat. Zo ontstaat een systeem dat de burger volledig zichtbaar maakt voor de overheid, terwijl diezelfde overheid zich voor de burger achter abstracties, protocollen en wisselende functionarissen verschuilt. Dat is niet alleen bestuurlijk onbevredigend. Het is rechtsstatelijk corrosief.

: SCHRIJNEND &: WRANG:

Het wordt nog schrijnender wanneer zelfs de tussenfiguren die geacht worden bescherming te bieden, die kern niet meer lijken te dragen. In de onderliggende stukken keert immers terug dat procedurele bezwaren, mensenrechtelijke argumenten en beroepen op hoor en wederhoor wel worden genoemd, maar niet werkelijk levend worden verwerkt. Daar raakt men de kern van het probleem:

Niet de burger die te veel vraagt, maar een juridische cultuur die de taal van rechten nog wel ceremonieel kent,maar haar niet langer consequent toepast.

Dan verandert rechtsbescherming in een doolhof, wordt onschuldpresumptie een formule op papier en moet de burger zelf blijven aandringen op de basis die het systeem allang uit zichzelf had moeten bewaken.

En precies daar wordt het voor burgers extra zwaar: correctie verschijnt in zulke trajecten vaak niet aan het begin, waar zij bescherming had moeten bieden, maar pas achteraf, wanneer de schade al is aangericht. Pas dan volgt soms een constatering van vormverzuim, kritiek op het optreden van het OM, een rechterlijke ingreep of een intern moment van reflectie waarin lessen worden getrokken uit wat al misging.

Voor instellingen heet dat kwaliteitsbewaking. Voor burgers heet het: maanden of jaren leven onder druk, onzekerheid en beschadiging, om later te horen dat er inderdaad reden en grondslag was voor correctie.

Juist dat maakt het zo wrang.

: ONTLUISTEREND:

Een systeem dat zijn fouten pas laat genoeg serieus neemt om ervan te leren, laat de burger eerst de volle prijs betalen van dat leerproces van de overheidsmensen zelf.

Wat voor beleidsstukken dan nog klinkt als “lerend vermogen”, voelt voor de burger als uitgestelde rechtvaardigheid. De prijs daarvan is niet abstract:

  • Het is reputatieschade;
  • Het is gedwongen meebewegen met vage formuleringen, wisselende functionarissen en onduidelijke bevoegdheden;
  • Het is telkens opnieuw moeten uitleggen wat al eerder is gezegd, telkens opnieuw moeten wijzen op elementaire grondslagen, telkens opnieuw moeten verschijnen in een proces dat zijn eigen begrenzing niet helder maakt.
  • En bovenal is het de ervaring dat niet de feitelijke kern van de zaak centraal blijft staan, maar dat afgeleide kwalificaties, veronderstellingen en procedurele druk langzaam het zicht op die kern overnemen. Dan verandert een rechtsgang in een belastingtraject. Niet doordat het recht te streng is, maar doordat het te diffuus wordt toegepast.

Misschien is juist dit, in juridische en morele zin, het meest schokkende onderdeel van het geheel: dat de zwaarste legitimatie voor de aanhouding — noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit — volgens de aangeleverde stukken in belangrijke mate lijkt te zijn gevoed door algemene AIVD- en NCTV-beeldvorming rond “soevereinen”, terwijl al vóór de aanhouding geen concrete, persoonsgerichte aanwijzingen zichtbaar waren die anti-institutioneel of gewelddadig handelen werkelijk droegen.

Nog ernstiger wordt dat beeld wanneer ook ná de aanhouding, na onderzoek van diverse gegevensdragers en verwerkers, die feitelijke basis niet alsnog naar voren komt. Dan valt niet slechts een detail weg, maar het dragende verhaal onder het ingrijpen zelf. Wat eerst als veiligheidsnoodzaak werd gepresenteerd, gaat er dan uitzien als een operatie die haar zwaarste rechtvaardiging ontleende aan een frame dat het concrete dossier uiteindelijk niet kon dragen.

En precies daar wordt het ontluisterend voor het Openbaar Ministerie en de betrokken ketenpartners.

Want als ruim een jaar later het element “soevereiniteit” als dragende ondergrond van de aanhouding feitelijk wegvalt, blijft niet een stevig strafrechtelijk fundament over, maar een veel hardere en pijnlijkere vraag:

  • wordt hier een getuige van een onderliggende casus stap voor stap tot verdachte gemaakt,
  • terwijl de feitelijke aandacht verschuift van de “gemelde vrijheidsberoving van een minderjarige” naar de klacht van een wethouder, die volgens de aangeleverde stukken juist als regievoerder in beeld was gekomen.

Dán krijgt de zaak een onthutsende omkering.

Niet de gemelde kern wordt onderzocht, maar degene die haar benoemde. Niet het mogelijke machtsmisbruik staat centraal, maar de boodschapper.

Juist dát is het moment waarop een rechtsstaat moet vrezen voor zichzelf: wanneer framing niet langer bijzaak is, maar de brug wordt waarover dwang het dossier binnenkomt.

: ONTHECHTING:

Een ander duidelijk symptoom van verval is de ontpersoonlijking van verantwoordelijkheid. Brieven zonder herkenbare beslisser. Verwijzingen naar “de officier”, “het team”, “de instantie”, zonder dat voor de burger nog scherp is wie hier nu eigenlijk beslist, op welke grondslag, met welke bevoegdheid en onder welke persoonlijke verantwoordelijkheid. Dat lijkt misschien efficiënt, maar in het recht is het funest. Want rechtsgevolgen horen herleidbaar te zijn tot concrete, toetsbare bevoegdheidsuitoefening. Zodra die keten oplost in anonieme functietaal, ontstaat een omgekeerde verhouding: de burger wordt volledig zichtbaar gemaakt voor het systeem, terwijl het systeem zich voor de burger juist achter abstracties verschuilt.

Dat is geen neutrale administratieve stijl meer. Dat is juridisch ontduiken in bestuurlijke verpakking.

: ONTREGELING:

Misschien wordt dat alles nog het scherpst zichtbaar op het moment dat zelfs een zitting niet langer staat voor helderheid, maar voor verdere ontregeling. Niet doordat uitstel op zichzelf onmogelijk zou zijn, maar doordat zo’n afgelasting in deze context geen los organisatorisch feit meer is. Zij wordt dan het slotbeeld van een langer proces van vervaging:

  • eerst onduidelijkheid over doel en status,
  • daarna uitblijvende beantwoording,
  • vervolgens geen kenbare grondslag,
  • en tenslotte een procedure die formeel nog overeind staat terwijl het vertrouwen inhoudelijk al is weggevallen.

Dáár ligt de reden waarvoor en de grondslag waardoor het woord verval niet te zwaar is, maar precies. Een instituut verliest zijn gezag niet pas wanneer een fout officieel wordt vastgesteld. Het verliest zijn gezag zodra duidelijke grondslag, zuivere taal, herkenbare verantwoordelijkheid en eerlijke afbakening niet langer vanzelfsprekend vooropstaan. Dan is het niet meer de bewaker van helderheid, maar de producent van uitgestelde correctie.

Daarmee komt men bij misschien wel de hardste conclusie van allemaal: dat de burger in zulke trajecten niet alleen onderwerp van onderzoek wordt, maar tegelijk de enige partij lijkt te worden die nog consequent op de basis moet blijven aandringen:

  • Op onschuldpresumptie,
  • Op grondslag,
  • Op hoor en wederhoor,
  • Op de eenvoudige eis dat macht zichzelf uitlegt voordat zij ingrijpt.

In de onderliggende stukken keert immers terug dat juist die basis telkens opnieuw moet worden opgerakeld, terwijl aan de andere kant procedure, interpretatie en institutionele loyaliteit de boventoon blijven voeren. Dat is uiteindelijk de omkering die een rechtsstaat het meest beschadigt:

niet de burger die bescherming ontvangt van de norm, maar de burger die de norm moet blijven herinneren aan hen die geacht worden haar uit te dragen.

: VERLIES:

Zodra dat gebeurt, is er niet slechts sprake van een incident, maar van een stelsel dat zijn eigen juridische geheugen begint te verliezen. En precies daarom en daardoor is dit blog niet slechts een aanklacht tegen fouten, slordigheden of misverstanden. Het is een aanklacht tegen een bestuurlijke en justitiële cultuur waarin duidelijkheid te laat komt, verantwoordelijkheid vervluchtigt, en menselijkheid onder protocollen wordt begraven.

Een instituut verliest zijn gezag niet pas wanneer een rechter het corrigeert of wanneer een commissie achteraf vaststelt dat het anders had gemoeten. Het verliest zijn gezag op het moment dat een burger moet ervaren dat hij door een keten van functionarissen heen moet om nog gehoord te worden op punten die van meet af aan vanzelfsprekend hadden moeten zijn. Dan is het OM niet langer in de eerste plaats beschermer van rechtszekerheid, maar producent van uitgestelde correctie.

En wie dat van dichtbij meemaakt, staat niet meer simpelweg ín de rechtsorde. Die staat er, in zekere zin, al naast: als getuige van haar afbrokkeling.

: VERVAL:

Wilfred-Leonard kent als lid van Veilig en Vrij in deze kwestie niet slechts de feiten van nabij, maar ook het juridische veld waarin zij thuishoren. Juist in die hoedanigheid heeft hij zich, zo blijkt uit de onderliggende stukken, niet beperkt tot losse indrukken of emotionele verontwaardiging, maar de gang van zaken uitvoerig beschreven, geanalyseerd en onderbouwd, zowel in het licht van nationale strafrechtelijke relevantie als in samenhang met internationale mensenrechtennormen binnen en buiten het team van Veilig en Vrij.

Hij wist de verslaglegging van de vrijheidsberoving, de daaropvolgende procesgang en de bredere juridische implicaties scherper te duiden dan menig functionaris die daarvoor beroepsmatig verantwoordelijk zou moeten zijn. En toch lijkt precies dát door justitie niet als waarde, maar als hinder te zijn behandeld: gefundeerde kennis werd niet erkend als correctief, maar weggeschoven alsof zij slechts afkomstig was van een onhandige of niet-verstandige jurist, terwijl diezelfde stem al vele boeken over deze thematiek op zijn naam had staan en nadien nog verder heeft uitgewerkt.

Want wanneer het Openbaar Ministerie meent te kunnen stellen dat iemand “naar beter weten in” heeft gehandeld in het kader van de geuite verdenkingen, terwijl juist diezelfde persoon in de Kampense zaak als getuige met dezelfde ernst, precisie en morele overtuiging optrad, dan keert de taal van justitie zich tegen zichzelf. Wat in de ene context wordt weggezet als belastend bewustzijn, was in de andere context precies de uiting van een getuige die de vinger op de zere plek legde en weigerde weg te kijken van een mogelijke misstand.

Dán is het probleem niet meer dat een burger te veel weet, te veel leest of te precies formuleert. Dán is het probleem dat een systeem geen respect meer kan opbrengen voor kennis die niet uit zijn eigen kring afkomstig is, zelfs niet wanneer die kennis beter onderbouwd, consistenter uitgewerkt en juridisch zuiverder blijkt dan het handelen van de instanties zelf.

En juist daar openbaart zich het diepste verval:

waar niet onwetendheid regeert, maar de actieve afwering van wie te scherp ziet.





Share this post




Tags Wolk


Categoriën Wolk




Abonneer je en vang de nieuwtjes direct in je inbox